Overleg FAVV met beroepsorganisaties en ordes over uitdagingen aangaande dierenartsen BMO's

Deze vergadering wordt elke 6 maanden georganiseerd door het FAVV op het Hoofdbestuur in Brussel.

Op 23 mei 2017 had de eerste (van 2) vergadering van 2017 plaats.
Daar zijn voor het FAVV telkens de Directeur-generaal Controle (Dr. JM Dochy), het hoofd van de NICE (Dr. E. Versele) en Directeur Hoofdbestuur DG Controle (Dr. St. Theuwis) aanwezig. Voor de beroepsorganisaties waren vertegenwoordigers aanwezig van IVDB en VDV naast dierenartsen van de Nederlandstalige en Franstalige Orde en NDP (nutsdierenpractici) die enkel een waarnemende rol hebben op deze vergaderingen.

Een eerste punt behandelt altijd budgettaire aangelegenheden, meer bepaald de aanpassing van de honoraria voor de BMO’s voor 2018, wat altijd gebaseerd is op het gezondheidsindexcijfer.

In mei kan er telkens alleen een prognose gegeven worden, in november volgt dan de definitieve aanpassing. Voor volgend jaar is de prognose 44,59€ per uur en 11,25€ voor een certificaat TRACES.

Een ander thema dat telkens weer aan bod komt is de stand van zaken inzake aanwerving van BMO’s en de moeilijke invulling van de opdrachten voor de BMO’s in bepaalde LCE’s, zoals op dit moment in Antwerpen en Limburg het geval is.

De laatste oproep in het Staatsblad voor kandidaten BMO dierenarts leverde voor Vlaanderen 31 kandidaten op waaruit na selectie en evaluatie uiteindelijk 11 kandidaten geschikt bleken waarvan er ondertussen 7 een uitvoeringsovereenkomst hebben ondertekend en dus aan de slag kunnen. Hierbij wordt opgemerkt dat het FAVV, ondanks de schaarste aan BMO’s, bij de evaluatie (terecht) niet inlevert op de kwaliteitsvereisten om geschikt verklaard te worden.

De aanwerving van BMO’s niet-dierenartsen is nog een stuk moeilijker: er waren 2 kandidaten langs Vlaamse kant, waarvan uiteindelijk niemand aanvaard werd…Het probleem bij die doelgroep is vooral de vereiste om zelfstandig te worden en tegelijkertijd toch geen garantie te krijgen op een voldoende (volledig) takenpakket (uren) terwijl een dierenarts sowieso al zelfstandig is en het BMO-werk er zo kan bijnemen.

Om het werken voor het FAVV te promoten, en zo meer kandidaturen binnen te krijgen, worden serieuze inspanningen geleverd. Zo werden onder meer vanaf september 2016 stageweken ingelast aan de Ugent waar 158 studenten aan hebben deelgenomen. Die stage bestond uit een theoretisch gedeelte aan de faculteit maar ook uit een praktisch gedeelte op het terrein.

Discussie op de vergadering leerde dat het vooral de bedoeling is de studenten vertrouwd te maken met het werken voor het FAVV vanuit het besef dat pas afgestudeerde dierenartsen het meestal toch eerst proberen in de praktijk waar te maken. Als men na een aantal jaren eventueel beslist om een carrière-switch te maken weet men op dat moment dan alvast al wat werken voor het FAVV inhoudt en is de kans groter dat deze keuze ook in overweging genomen wordt.

 

Verder wordt op deze vergaderingen ook toelichting gegeven over een aantal praktische zaken die de BMO’s aanbelangen of kunnen interesseren, zoals facturatie van bestelbonnen op het einde van het jaar, aanpassing van documenten en procedures, gebruik van informatieformulieren,…

Dit zijn echter allemaal zaken die verderop in het jaar door de plaatselijke LCE naar de BMO’s gecommuniceerd worden.

Een belangrijk punt dat bij de varia door de VDV-vertegenwoordiger werd aangebracht zijn de problemen die de opdrachten van de BMO’s voor lastenboek 6 en 7 (inspectie van bedrijven en certificering) met zich meebrengen. (Het volledige mini-dossier kan u hiernaast lezen.) Als eerste reactie gaf Dr. Dochy aan dit met aandacht te zullen bekijken en op de volgende vergadering hierover feedback te zullen geven. In de rand merkte hij wel op dat tot nu toe geen meldingen zijn van opdrachten die niet uitgevoerd geraken voor die 2 lastenboeken, maar dat hij wel niet uitsluit dat er in de toekomst problemen zullen opduiken, maar, volgens hem, eerder voor lastenboek 2 (keuring in de slachthuizen) dan voor lastenboek 6 en 7.

Naar goede gewoonte werd ook nog eens gewezen op enkele zaken die de beroepsverenigingen al langer willen aangepast zien zoals de 40 km-regel (geen vergoeding voor de eerste 40 km-verplaatsing per dag), geen vergoeding voor verplaatsing tot aan de provinciegrens bij het werken in een andere provincie en geen extra-vergoeding bij (vooral) de prestaties in de vroege uren en op zaterdag.

Ook werd gevraagd mogelijke aanpassingen aan Raam- of Uitvoeringsovereenkomsten vroeger voor te leggen aan de beroepsorganisaties.

Het FAVV plaatst altijd een gedetailleerd verslag van deze vergaderingen op het openbaar gedeelte van haar website (bij rubriek “Zelfstandige dierenartsen”), wel soms maar in de aanloop naar de volgende vergadering.

 

BMO en Lastenboek VI en VII

1.       Probleemstelling

De interesse van de BMO’s voor het uitvoeren van taken voor lastenboek VI en VII (vooral exportcertificering en inspecties van bedrijven) is niet groot, en zeker heel wat minder dan voor het uitvoeren van taken voor Lastenboek II (de keuring in de slachthuizen).

 

2.       Oorzaken

Van waar dit gebrek aan belangstelling voor deze 2 lastenboeken?

·         Verantwoordelijkheid:

Als het over certificatie voor export naar derde landen en inspecties van bedrijven gaat staat de BMO er altijd alleen voor. De BMO kan op dat moment niet terugvallen op collega’s, dus dient hij/zij er voor te zorgen zeer goed voorbereid te beginnen aan zijn/haar opdracht. In theorie is dezelfde ingesteldheid vereist bij BMO’s actief in een slachthuis maar de realiteit is dat men zich kan “verschuilen” in de groep, overleggen met collega-BMO’s en er tenslotte nog een AV-BMO boven hen staat waar het nemen van beslissingen met plezier naar toe geschoven wordt.

·         Bijscholing:

Kennis van de wetgeving, dienstnota’s en omzendbrieven vraagt continu zichzelf bijscholen.

Omwille van het alleen werken dient de BMO, zoals hiervoor reeds vermeld, goed voorbereid aan zijn taak te beginnen en zeer goed van de materie op de hoogte te zijn gezien de zware financiële repercussies die fouten met zich mee kunnen brengen. Zelfs per abuis een datum verkeerd invullen kan leiden tot blokkering van een lading. Kennis opdoen vraagt inspanningen, de nodige tijd en ook vaak geld (inschrijven cursussen).

·         Financieel:

Certificaties en inspecties beslaan vaak maar een beperkte tijdsduur, soms minder dan een uur. Om aan een redelijk urenpakket te komen op één dag moet men soms verschillende certificaties (kunnen) uitvoeren of grotere bedrijven kunnen inspecteren met de bijhorende verplaatsingen terwijl men in een slachthuis vaak tot 6 uur of meer opeenvolgend kan actief zijn met één verplaatsing. Een certificeerder is vaak 5 uur bezig en onderweg om finaal 3 uur vergoed te zijn. De verplaatsingen waarvan hier sprake zijn in de huidige uitvoeringsovereenkomst slechts vergoed boven de 40 km per dag.

Het gevolg is dat de afweging en de keuze om zich enkel voor LB II kandidaat te stellen voor veel dierenartsen vlug gemaakt is en dat er voor de LB VI en VII heel wat minder kandidaten zijn  (zelfs LB I, de AV-BMO, is om redenen van meer verantwoordelijkheid niet zeer populair).

 

3.       Bezorgdheden van de BMO’s actief in LB VI en VII

Iedereen  actief als BMO heeft zijn raamovereenkomst en uitvoeringsovereenkomst ondertekend en moet die ook nauwgezet uitvoeren. Maar naar de toekomst toe is het nodig om bij het voorleggen van nieuwe overeenkomsten meer rekening te houden met de bezorgdheden van de BMO’s algemeen en meer specifiek in dit geval van de BMO’s  van LB VI en VII.

Vooreerst zijn er de knelpunten aangehaald in het vorige item (punt 2: oorzaken):

-          Grote verantwoordelijkheid (meer dan in de slachthuizen)

-          Extra inspanningen op gebied van bijscholing, zelfstudie

-          Moeilijker om een acceptabel urenpakket te verzamelen dan in de slachthuizen

-          Veel meer (niet vergoede) verplaatsingen

Daarnaast zijn er nog aanvullend een aantal opmerkingen die gemaakt worden door de BMO’s en mede bepalend zijn voor het al dan niet kandideren voor de LB VI en VII:

-          Zeer grote flexibiliteit wordt gevraagd van certificeerders, terwijl opdrachten in een slachthuis al weken op voorhand vastliggen. De taken van de certificeerders kunnen nogal wat variëren per maand, afhankelijk van de economische context (conjunctuurverschillen en dus meer of minder export).

-          De verplichting om de inspecties in de bedrijven onaangekondigd te doen zorgt er af en toe voor dat een BMO voor een gesloten deur staat: niet vergoede tijdsbesteding en kilometers

-          Voorbereidingstijd wordt niet vergoed. Vaak moet zelf dan ook nog gezorgd worden voor de nodige documenten en kopies

-          Documenten moeten opgestuurd worden naar de LCE, ook kosten en tijd die niet aangerekend mogen worden…

-          De noodzaak van het nemen van een duurdere verzekering “Burgerlijke Aansprakelijkheid” omwille van de grotere verantwoordelijkheid en het groter risico op fouten.

-          De indruk bestaat dat er vanuit het FAVV te weinig steun wordt gegeven als er zich een probleemsituatie voordoet als gevolg van een menselijke vergissing van de BMO (verkeerde datum, handtekening vergeten,…) waardoor de BMO zich in de steek gelaten voelt. Daarbij wordt regeling van de certificaties nu ook doorgeschoven naar de certificeerder zelf en niet meer geregeld vanuit de LCE (minder ruggensteun)

-          De indruk bestaat dat er teveel rekening gehouden wordt met het 40 km-systeem om de opdrachten te verdelen

 

Bijgevolg kan er gesteld worden dat de inspanningen die gevraagd worden van de BMO’s voor Lastenboek VI en VII veel groter zijn dan voor LB II en dat de vergoeding, alle kosten en ongemakken in acht genomen en verrekend, een heel stuk lager is dan voor BMO’s in de slachthuizen.

Dat de interesse voor deze LB niet erg groot is lijkt absoluut begrijpelijk en gerechtvaardigd wanneer de BMO de lasten en de lusten tegen elkaar afweegt.

Uiteindelijk kan men alleen hier uit besluiten dat de BMO’s actief in deze 2 LB wel de meest gemotiveerde moeten zijn van het hele BMO-bestand.

 

4.       Oplossingen

Welke oplossingen zijn mogelijk? 

·         Vanuit het oogpunt van het FAVV zal, begrijpelijk, in eerste instantie gezocht worden om deze 2 LB aantrekkelijker te maken. Op dit moment zijn er al veel inspanningen geleverd om de job van BMO te promoten bij de dierenartsen, met wisselvallig succes. Specifiek die 2 LB promoten zal zeker geen succes hebben want op heden zijn er geen argumenten die daarvoor kunnen gebruikt worden. Promotie voeren zal niet helpen.

·         Koppeling van opdrachten , in de zin van het uitvoeren van certificeringen en inspecties verplicht stellen om ook uren toegekend te krijgen in de slachthuizen, is een mogelijke maar heel onzekere piste om te bewandelen. Het gevaar bestaat dat een aantal BMO’s zullen afhaken waardoor er in de slachthuizen een acuut gebrek aan keurders kan ontstaan.

·         Betere verloning, betere randvoorwaarden en ondersteuning lijken de beste opties

-          Als een gedifferentieerd tarief voor BMO’s niet kan omwille van informatica-redenen moet dit op een andere manier gebeuren. Blijven vasthouden aan één tarief voor BMO’s is echter op langere termijn niet houdbaar vermits de realiteit zo is dat de verschillende taken van de BMO’s  dusdanig verschillend zijn inzake inhoud, tijd, plaats, verantwoordelijkheid,…dat dit uniforme tarief moet aangepast worden aan objectieve criteria. Een andere realiteit is dat er ook een differentiatie is in de BMO’s waarbij voor een aantal BMO’s het uitvoeren van opdrachten voor het FAVV een welgekomen aanvulling is van hun beroepsactiviteiten en zij dus in eerste instantie kiezen voor taken die het minste verantwoordelijkheden met zich meebrengen wat absoluut niet wil zeggen dat zij die opdrachten niet au sérieux nemen of niet correct uitvoeren. Op dat moment is het logisch dat ze meest geïnteresseerd zijn in LB II.

-          Afschaffing van de 40 km-regel voor verplaatsingen en iedere km vergoed. Men kan op zijn minst stellen dat zo’n regel niet de meest gangbare norm is bij het uitvoeren van opdrachten zowel in de openbare als in de privé-sector en dringend moet heronderhandeld worden.

-          Forfaitaire vergoeding voor extra-kosten (voorbereiding, papier, kopies, postzegels) per bedrijf

-          Tussenkomst in de verzekering BA van de BMO of een regeling vanuit het FAVV zelf waardoor de BMO die de meest verantwoordelijke opdrachten uitvoert voor het FAVV zich verzekerd weet van ruggensteun in geval van problemen waarbij zijn integriteit niet ter discussie staat.

 

 

 

 
 

© 2011 VETWorks - alle rechten voorbehouden.

VETWorks webdesign HTML5 Compliant