Q-koorts: een niet te verwaarlozen beroepsziekte

De FOD Volksgezondheid en FAVV willen de aandacht van de dierenartsen en de veehouders vestigen op de besmettingsrisico’s van deze onderschatte zoönose en wil de aanbevolen preventieve maatregelen in herinnering brengen.

Sinds de Q-koorts epidemie in Nederland in 2009 bestaat er in België een programma voor de monitoring van Q-koorts in veebedrijven omwille van het niet te verwaarlozen zoönotische karakter en de endemische aanwezigheid ervan op het grondgebied, ook al werd er geen grote haard gedetecteerd.

Jaarlijks worden verschillende bedrijven positief bevonden na tankmelk- of abortusonderzoek.

Bedrijven met herkauwers, en dan in het bijzonder met kleine herkauwers, voornamelijk geiten, zijn de bron van de meeste besmettingen bij de mens. Een serologisch[1] onderzoek in 2013 bij dierenartsen in het zuiden van het land heeft een globale seroprevalentie aan het licht gebracht van 45,4%, en van 58,3% voor diegenen die met vee in contact komen.  

De gedomesticeerde herkauwers zijn het natuurlijk reservoir van deze zoönose die ook andere dieren kan besmetten. Coxiella burnetii, die zeer resistent is in het buitenmilieu, kan zich snel verspreiden via de lucht, aangezien besmetting voornamelijk gebeurt door het inademen van fijne stofdeeltjes die door de bacterie zijn besmet. Ook het risico op rechtstreekse besmetting door contact met dieren tijdens hun verzorging mag niet verwaarloosd worden.

In 60 % van de gevallen verloopt de infectie asymptomatisch bij de mens.

De diagnose ervan blijft moeilijk, zelfs als er symptomen zijn, en dit door de grote diversiteit ervan. 

Ze kan verantwoordelijk zijn voor een acuut ziektebeeld, onder meer gekenmerkt door aanhoudende koorts en/of voor een chronisch ziektebeeld in casu een cardiale problematiek. Personen met valvulopathieën, aneurysmata , vasculaire prothesen of immunodeficiënte personen lopen een verhoogd risico op Q- koorts. Bovendien zijn zwangere vrouwen gevoelig voor besmetting, wat tot miskramen en besmetting van de foetus kan leiden.

Ook bij dieren verloopt de infectie meestal asymptomatisch en kan ze verwerping op het einde van de dracht, premature worpen of de geboorte van ziekelijke of doodgeboren dieren veroorzaken; dit zijn de belangrijkste symptomen bij  schaap- en geitachtigen. Bij runderen is de infectie vaak verantwoordelijk voor onvruchtbaarheid, metritis, kalveren met een laag geboortegewicht en pneumonieën. De uitscheiding vanuit de uterus en de vaginale afscheidingen na de verwerping of het werpen kan lang blijven duren waardoor de mest besmet raakt. Geboorteproducten (placenta, nageboorten, onvoldragen vruchten, uitscheidingen enz.) zijn de belangrijkste besmettingsbronnen.

 

De aanbevolen preventiemaatregelen zijn: een gepaste handhygiëne, niet eten/drinken/roken in risicozones, geschikte kledij dragen voorbehouden voor risicohandelingen, het dragen van handschoenen (obstetrische,… enz.), ontsmetting van plaatsen en materiaal na de geboorte of de verwerping en daarbij aerosolvorming vermijden, adequate verwijdering van placenta, geboorteproducten en onvoldragen vruchten (in een gesloten recipiënt voor onderzoek of vernietiging van die producten).

Voor meer informatie over de ziekte en de preventiemaatregelen voor professionals kunt u advies 8633 van de Hoge Gezondheidsraad en zijn bijlage 4 raadplegen:  https://www.health.belgium.be/nl/hoge-gezondheidsraad.

 

 

 
 

© 2011 VETWorks - alle rechten voorbehouden.

VETWorks webdesign HTML5 Compliant